Techniek achter de fotografie

Binnen de fotografie zijn er vele methodes om foto's te maken, evenals vele stijlen om hiermee weer te combineren. Dit zorgt ervoor dat er geen grenzen zijn aan de mogelijkheden van de fotografie.

De laatste jaren heeft de digitale spiegelreflex camera een behoorlijke opmars gemaakt. Niet alleen bij professionals maar ook bij hobbyfotografen. Helaas zie ik maar al te vaak dat men de camera op de automaat laat staan omdat men de verschillende functies niet begrijpt. Gevolg, met het maken van een sportfoto klapt spontaan de flitser omhoog, of de camera denkt dat hij meer diepte moet fotograferen wat ten koste gaat van de scherpte van de foto. Ik wil hier in het kort wat uitleggen over de techniek van de fotografie.

3-eenheid
Voorheen had men met een analoge spiegelreflex camera de optie om het diafragma of de sluitertijd bij te stellen. Het filmrolletje was immers van te voren gekozen en kon tijdens het fotograferen niet zomaar verwisseld worden. Tegenwoordig heeft men ook die factor erbij gekregen. Nu kan men dus 3 factoren instellen voor een foto: ISO-waarde, diafragma en sluitertijd. De vraag die ik alleen vaak hoor is, wat betekenen deze 3 factoren voor de foto?

ISO-waarde
Het makkelijkste is om te beginnen bij de basis, de ISO-waarde. ISO-waarde (voorheen DIN) is een standaard die de lichtgevoeligheid aangeeft van de film op het rolletje. Aangezien in een digitale camera geen rolletje gaat, wordt dit tegenwoordig aangepast door de sensorgevoeligheid aan te passen. Doordat dit geheel elektronisch gaat kan iemand dus per foto een andere ISO-waarde instellen.

Sluitertijd
Naast de gevoeligheid van een film is er ook de tijdsduur dat de film wordt blootgesteld aan licht. Des te langer de sluiter openstaat des te lichter het wordt. Nu is er alleen ook iets belangrijks aan een sluiter. Deze bepaalt namelijk ook hoe makkelijk een beweging kan worden opgevangen. Je kunt je voorstellen dat als iemand rustig voorbij loopt je dit makkelijker kunt volgen dan iemand die voorbij fietst. Zo werkt het ook met een sluiter. Des te sneller de sluiter open en dicht gaat, des te sneller de beweging kan zijn die je fotografeert. Om een voorbeeld te geven: iemand die rustig loopt kun je fotograferen met een sluitertijd vanaf 1/80 seconde. Een fietser heeft minstens een sluitertijd van 1/250 seconde nodig om scherp te worden.

Diafragma
Als laatste factor is er het diafragma. Deze is echter wel heel bijzonder. Het diafragma is de grootte van de opening van de lens. Een lens met een grote opening noemt men ook wel een snelle lens. Alleen, waar de sluitertijd steeds hoger wordt in snelheid, wordt een diafragma getal steeds kleiner. Eens lens met een diafragma van 2.8 is dus sneller dan een lens van 5.6. Zoals ik al eerder zei is er iets bijzonders met een diafragma. De grootte van het diafragma bepaalt namelijk niet alleen hoeveel licht er binnenkomt, maar ook hoe groot het bereik is wat je kunt scherpstellen. Om een voorbeeld te geven: Als je een 50 mm lens hebt met een diafragma van bijv. 2.8 en je fotografeert een object op 5 meter afstand, dan heb je een bereik dat scherp is van ongeveer 140 cm. Als er dus iets voor of achter het object staat, dan is dat onscherp. Gebruik je echter nu een diafragma van 5.6 met dezelfde lens en hetzelfde object, dan is de scherptediepte ineens 300 cm. Hierdoor zullen zaken die voor en achter het object staan ook scherp worden.